Tom El
2nd February 2010, 19:57
Ik schrijf af en toe wat shit neer als ik me verveel. Hieronder 2 voorbeelden, ze zijn geschreven vanuit een 'ik' standpunt, soms wat overdreven, maar gebaseerd op waargebeurde feiten die gebeuren in mijn leven. :) Alle kritiek is welgekomen!
"De werkvrouw
Het enige wat ik echt deelde met mijn huisgenoten was een angst voor de werkvrouw die eens per week alles kwam kuisen uitgezonderd onze prive vertrekken. Die angst werd bij mij waarschijnlijk nog versterkt omdat mijn hersenen rationele angst nog maar moeilijk konden onderscheiden van de irrationele variant. De werkvrouw op zich was niet zo schrikwekkend, ze zag er niet monsterlijk of luguber uit. Wel was ze dik en zo lelijk als de nacht, maar dat komt wel bij meer mensen voor. Het was specifiek het totale gebrek aan sociale ongemakkelijkheid die bij mij, en in mindere mate, mijn huisgenoten terreur zaaide. Deze werkvrouw had een merkwaardige verachting aan ons. Ook had ik het gevoel dat ze, om 1 of andere reden die ik niet kon bevatten, een specifieke verachting had aan mij. Dit uitte ze passief door een volledig gebrek aan de minste snipper sociaal gedrag naar mij te vertonen bij confrontatie.
Toen ik juist verhuisde naar mijn huidige woonst was ik nog niet op de hoogte van haar manier van doen. De eerste keer dat we elkaar ontmoeten was toen ik met een simpele alcohol kater rond 13u ’s middags mijn kamer uitkwam. Ik had niet gehoord dat er iemand de trap stond te kuisen. Ik kwam nietsvermoedend en intensief aan mijn kruis krabbend de gang op in mijn boxershort vol gaten. Doel: het ledigen van mijn blaas. Ik slaakte een korte zucht van verschieten toen ik haar een drietal treden onder mij zag staan. Vlakbij dus. De sociale regels in acht nemend stootte ik een kort en duidelijk van-mijn-melk-zijnde ‘hallo’ uit. Onze ogen kruisten elkaar. Emotieloos keek ze me aan met haar bolle gezicht. Haar ogen waren volledig leeg. Het was alsof ze dwars door me keek me die starende blik, alsof ze me niet echt zag. Direct voelde ik oerinstincten in mij opborrelen die enkel tevoorschijn komen bij een extreme dreiging. Iedereen die ook maar iets geeft om een normale manier van omgang met andere levende wezens zou op dat ogenblik tenminste een vorm van blijk hebben gegeven dat ze mijn aanwezigheid had opgemerkt. Onze werkvrouw niet. Ze bleef me aankijken, voor 3 tergend trage seconden lang. Toen sloeg ze de ogen neer en ging gewoon verder met het kuisen van de trappen, mijn aanwezigheid en begroeting volledig negerend. Je zou kunnen stellen dat ze gewoon geen Nederlands kon, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand die de sociale regels in acht nemend van mensen, en uberhaupt alle wezens met een hersenstam, niet doorhad dat dit een begroeting van mijnentwege was. Het minste wat ze kon doen was een korte knik geven. Ik verstijfde. Aanvankelijk maakte ik mezelf wijs dat ze me om 1 of andere reden niet opgemerkt had, ondanks dat ze me recht in de ogen keek. Daarop herhaalde ik mijn begroeting, maar ditmaal meer in een vragende, twijfelende toon: “Hallo.....?”, probeerde ik onzeker. Mijn onzekerheid sloeg over in pure angst toen ze ditmaal zelfs niet meer opkeek en gewoon verder ging met kuisen. Ik panikeerde en wist helemaal niet hoe me nu te gedragen. Met een duidelijk gemaakte, schokkerige zelfzekerheid begon ik me na 5 seconden verstijfdheid te bewegen richting badkamer. Daar aangekomen probeerde ik even relaxt te zeiken. De weg terug naar mijn kamer was plots een hele uitdaging. Ik kon niet opnieuw een confrontatie aan met deze robot die gespeend was van elke vorm van sociaal gedraag en alles zomaar aan haar laars kon lappen. Dit dan nog zonder de minste vorm van ongemakkelijkheid. Ergens benijdde ik haar voor deze bovennatuurlijke gave. Angstig wachtte ik af in de badkamer, intensief luisterend naar de geluiden van haar zeemvel dat in en uit haar emmer schoonmaakmiddel en water klotste en hopend dat ze niet op weg was naar de badkamer boven. Gelukkig was ze dat niet.
Vanaf die dag wilde ik een confrontatie met haar ten allen koste vermijden. Ik maakte mezelf wijs dat ik dit wilde omdat ik haar een lesje wou geven, dat ik haar minachting voor mij wou betaald zetten door ook te doen alsof ze er niet was wanneer ik haar tegenkwam. Ergens wist ik echter goed genoeg dat ik haar nooit op zo’n efficiente manier zou kunnen negeren als zij bij mij deed. Ik herkende mijn meerdere in haar en Ik probeerde dan ook bewust elke confrontatie met haar te mijden.
Het zou echter niet de laatste keer zijn dat ik met opnieuw oog in oog zou te staan komen met haar.
Ik had een nieuwe nemesis."
"Mama en Papa
Mijn ouders zijn wat je noemt mensen die ‘het’ gemaakt hebben in onze samenleving. Papa is gedoctoreerd aan de VUB als burgerlijk ingenieur en mama heeft een diploma psychologie en is actief als Human Resources Manager (een mooiere titel voor manager) voor een groot bedrijf. Zoals elke koppel ouders verwachtte zij dat ik en mijn broer (die 2 jaar na mij geboren werd) een leven zouden leiden dat in grote mate vergelijkbaar is met dat van hun en dat onze maatstaven niet veel zouden verschillen. Ze zagen in mij al een kleine burgerlijk ingenieur vanaf mijn geboorte, wat als ouder waarschijnlijk perfect normaal is en wat ik ze ook niet kwalijk neem. In deze maatschappij lijkt het aangewezen om een hoog diploma te halen om op adequate manier geld te verdienen, en deze vergissing is snel gemaakt voor elke mens.
Hun verwachtingen werden aanvankelijk ingeluid. In de basisschool was ik altijd de primus van de klas en stelde ik me geen vragen bij mijn streven naar ‘het goed doen op school’. Alles veranderde echter toen ik 12 jaar werd en die vervloekte hormonen de kop kwamen opsteken. Papa wilde dat ik en mijn broer zouden afstuderen in Latijn-wiskunde, zoals hij zelf had gedaan. Vanaf het tweede middelbaar echter, bleek dat ik op gebied van school en studeren, een fallikante nul was geworden. 1 van de ergste gevoelens die ik tot nu toe in mijn leven heb ervaren is het schuldgevoel waarmee ik kampte door de teleurstelling van mijn vader, toen hij besefte dat wij in geen enkel opzicht zoals hem zouden uitdraaien. Goed als hij is probeerde hij zijn teleurstelling (nog steeds trouwens) ten allen koste te verbergen, terwijl mettertijd duidelijker en duidelijker werd dat mijn levensloop volledig anders zou zijn als die van hem of mama. Er zouden zelfs factoren bij betrokken worden die hij zelf nooit in de verste verte had ervaren en ook niet voor mogelijk had gehouden bij zijn 2 zonen: drugs, arrestaties, psychische problemen en teveel drank waren dingen die hij niet had gezien in zijn kinderen, misschien wel terecht. Mama kon hier iets beter mee omgaan, doch ook voor haar werd het soms teveel. Ik heb me altijd voorgehouden dat ik erg hard was in mijn omgang met mijn ouders, dat ik niet veel met hen bezig was. Dit veranderde allemaal toen ik op de dag dat ik het huis uitging nog eens thuis kwam eten en mama zich vreemd begon te gedragen.
Mama kwam wenend de trap opgelopen. Ik dacht dat dit waarschijnlijk wel te maken had met het feit dat ik het huis uiting. “Wat is er mama?”, vroeg ik achteloos, bijna automatisch. “Ik weet het niet...” antwoordde mama snikkend. “Ik heb mij nog nooit zo gevoeld, laat mij gewoon even gerust.” Door die ‘Laat mij even gerust’ voelde ik me in mijn eer gekrenkt, als ik aandacht geef aan iemand verwacht ik niet om tot ‘gerust laten’ aangemaand te worden, daar komt bij dat ik in die periode al genoeg ervaring had met ‘wijven’ die om aandacht smeekten en om 1 of andere reden rekende ik mijn moeder even tot die categorie, wat ik mezelf nooit meer zou vergeven. Zelfs nadat mijn moeder op onmenselijke manier gilde was ik er nog altijd van overtuigd dat dit een simpele ‘cry for attention’ was. Beneden in de living aankomend vroeg Papa nogal in de war wat er aan de hand was. Ik zag mezelf op dat moment een beetje als de nuchtere stem van rede des gezins en maande mijn broer en vader aan tot kalmte: “Laat ze maar gewoon efkes doen.” zei ik, mezelf wentelend in het zelfvertrouwen dat ik wel beter wist dan panikeren en een beetje neerkijkend op mijn broer en vader voor hun verwarring. Na een minuut of 3 besloot mijn broer om toch even te gaan checken. Ik ergerde me aan het feit dat hij niet beter wist en draaide met mijn ogen terwijl ik een geirriteerde zucht slaakte. 10 sec later was hij terug beneden, mama kon nauwelijks nog praten. Aanvankelijk dacht ik dat hij zich vergiste, omdat ik mij niet kon inbeelden dat ik op zo’n manier fout zat. Al snel bleek dat dit wel het geval was. “Ons moeder heeft toch geen hersenbloeding?”, dacht ik om 1 of andere reden vrij ogenblikkelijk en dit bleek uiteindelijk het geval te zijn.
Toen ik naar boven ging was mama al ver heen. Ik kon het niet geloven. Ik had mijn broer en vader aangemaand om niets te doen terwijl mijn moeder boven in kritieke toestand verkeerde. Ik maakte mezelf wijs dat ik me in zo’n situaties best onder controle kon houden en mat mezelf een ijzige kalmte aan. De amulance werd gebeld. Hij liet echter langer op zich wachten dan verwacht. De laatste verstaanbare woorden die mama uitsprak zal ik nooit vergeten en snijden nog altijd als merg door been bij mij: “Ik denk dat ik het niet ga halen.” Het waren niet zozeer de woorden zelf, maar vooral de manier waarop ze ze uitsprak, op een waardige, realistische toon. Er klonk weinig wanhoop door in haar stem. Ze klonk nuchter, berekend en erg overtuigend. Het bloed dat op die moment vrijkwam in haar hersenen zorgde er dan wel voor dat ze de linkerhelft van haar lichaam niet meer kon bewegen, maar in haar stem klonk op die moment geen greintje verwarring door. Mama was een sterke vrouw en toen ze het onwerkelijke gevoel ervaarde dat een hersenbloeding met zich meebrengt, besloot ze na even panikeren dat ze ons moest meedelen hoe zij over haar situatie dacht. Toen ze die woorden uitsprak, brak er iets in mij, maar dat had ik toen zelf nog niet door. Vrij stoicaans nam ik alles in me op.
Na 15 min kwam de ambulance uiteindelijk aan. Mijn broer was ondertussen de wanhoop nabij en schreeuwde tegen de ambulanciers dat ze zich moesten haasten toen ze zich op hun dooie gemak uit de ambulance begaven. Uiteindelijk werd de mug erbij gehaald en werd mama, door een vreemd toeval, afgevoerd door een goeie vriend van mij die bij de spoed werkte.
Vanaf dat mama weg was wilde ik maar 2 dingen: overdreven zuipen en roken. Dit ging echter niet omdat we samen met mijn grootvader in het ouderlijk huis zaten en ik geen enkele manier had om daar weg te geraken. Naarmate dat de tijd verstreek werd ik zenuwachtiger en zenuwachtiger van mijn bompa, tot ik hem onder het mom van ‘alleen zijn’ kon overtuigen voor mij naar Antwerpen te brengen. Daar aangekomen liet ik direct wat vrienden naar mijn kot komen en mat ik mezelf een gespeelde bezorgdheid aan, inderwijl van mezelf walgend dat ik zoiets moest spelen.
Ondertussen werd mama op leven en dood geopereerd. De ‘leven en dood’ factor vertelde papa ons echter pas toen het goed was gekomen met haar, ondanks dat hij dit deed voor ons te sparen voelde ik me achteraf vernederd door de gedachte dat hij niet alles vertelde.
Papa hield zich sterk tijdens de het hele proces. Gedurende heel de situatie bleef hij kalm en probeerde hij op de meest logische manier te reageren en zich niet te laten leiden door emoties. Hij was hier echter niet zo goed in als mij, daar ik op een bepaald moment zelfs moest doen alsof ik minder kalm was gewoon omdat ik niet wilde dat de rest van mijn familie zou denken dat ik een psychopaat was. Toch gaf ons vader een adequate voorstelling van stalen zenuwen weer als je bedenkt dat de vrouw van je leven geen teken van leven meer geeft en de ambulance in de verste verte nog niet te bespeuren is. Enkel de glazigheid in zijn ogen verraadde op die moment dat hij inwendig verscheurd werd.
Toen mama geopereerd werd kwam ze op intensieve te liggen. Vanaf dan brak er voor mij een proces aan van mezelf constant schuldig voelen omdat het leek alsof ik me niet genoeg aantrok van de situatie waarin mama verkeerde. Ik had om te beginnen nog geen traan gelaten sinds het ongeval en ik zag om 1 of andere reden het nu er niet van in om elke dag een bezoek te brengen aan de intensieve, tot ergernis en minachting van mijn vader en broer. Eerlijkheidshalve dacht ik aanvankelijk zelfs aan 1x per week, maar ik merkte al snel aan mijn omgeving dat dit echt volledig sociaal onaanvaardbaar was. Ik begon mezelf een klootzak te vinden, een monster zonder emoties dat niet gaf om zijn ouders. Waarom kon ik niet huilen en waarom voelde ik geen aandrang om mama zoveel te bezoeken als mogelijk? Waarom, weet ik nog altijd niet, ik weet wel dat ik op een bepaald moment ontdekte dat ik er wel om kon huilen. Op die moment sijpelde de ernst van de situatie pas bij mij door, zo lijkt het.
Ik was mama gaan bezoeken in de revalidatiekliniek waar ze na een tweetal maanden terecht gekomen was. Op een bepaald moment begon zij vragen te stellen over hoe eigenlijk alles was gebeurd de avond van de hersenbloeding. Zelf herrinerde ze zich er niet veel meer van. Aanvankelijk begon ik aan het verhaal, zoals ik aan eender welk verhaal zou beginnen, totdat ik tegen haar wilde vertellen wat haar laatste woorden waren voor ze weggleed in de bewusteloosheid die een overdosis plasma en bloedplaatjes op de verkeerde plaats in de hersenen onvermijdelijk met zich meebrengen. Ik kreeg de woorden niet uigesproken, mijn stem trilde en ik voelde tranen branden. Dit was genant en tegelijk verlossend. T ijdens een poging om haar laatste woorden : “Ik denk dat ik het niet ga halen.,” uit te spreken slaagde ik er eindelijk in om in tranen uit te barsten. Maanden van opgekropt verdriet om de situatie van mijn moeder kwamen los. Mama begon ook te huilen. Na 2 minuten echter begonnen we opeens gelijktijdig om niets hysterisch te lachen als puberale hyena’s met een kop vol methamfetamines. Toen is er een verbintenis ontstaan tussen mij en mama die er voorheen niet was.
Eindelijk herkende ik iets van de waanzin die zich schuilhield in mij terug in mijn moeder.
Ik bleek geen monster."
"De werkvrouw
Het enige wat ik echt deelde met mijn huisgenoten was een angst voor de werkvrouw die eens per week alles kwam kuisen uitgezonderd onze prive vertrekken. Die angst werd bij mij waarschijnlijk nog versterkt omdat mijn hersenen rationele angst nog maar moeilijk konden onderscheiden van de irrationele variant. De werkvrouw op zich was niet zo schrikwekkend, ze zag er niet monsterlijk of luguber uit. Wel was ze dik en zo lelijk als de nacht, maar dat komt wel bij meer mensen voor. Het was specifiek het totale gebrek aan sociale ongemakkelijkheid die bij mij, en in mindere mate, mijn huisgenoten terreur zaaide. Deze werkvrouw had een merkwaardige verachting aan ons. Ook had ik het gevoel dat ze, om 1 of andere reden die ik niet kon bevatten, een specifieke verachting had aan mij. Dit uitte ze passief door een volledig gebrek aan de minste snipper sociaal gedrag naar mij te vertonen bij confrontatie.
Toen ik juist verhuisde naar mijn huidige woonst was ik nog niet op de hoogte van haar manier van doen. De eerste keer dat we elkaar ontmoeten was toen ik met een simpele alcohol kater rond 13u ’s middags mijn kamer uitkwam. Ik had niet gehoord dat er iemand de trap stond te kuisen. Ik kwam nietsvermoedend en intensief aan mijn kruis krabbend de gang op in mijn boxershort vol gaten. Doel: het ledigen van mijn blaas. Ik slaakte een korte zucht van verschieten toen ik haar een drietal treden onder mij zag staan. Vlakbij dus. De sociale regels in acht nemend stootte ik een kort en duidelijk van-mijn-melk-zijnde ‘hallo’ uit. Onze ogen kruisten elkaar. Emotieloos keek ze me aan met haar bolle gezicht. Haar ogen waren volledig leeg. Het was alsof ze dwars door me keek me die starende blik, alsof ze me niet echt zag. Direct voelde ik oerinstincten in mij opborrelen die enkel tevoorschijn komen bij een extreme dreiging. Iedereen die ook maar iets geeft om een normale manier van omgang met andere levende wezens zou op dat ogenblik tenminste een vorm van blijk hebben gegeven dat ze mijn aanwezigheid had opgemerkt. Onze werkvrouw niet. Ze bleef me aankijken, voor 3 tergend trage seconden lang. Toen sloeg ze de ogen neer en ging gewoon verder met het kuisen van de trappen, mijn aanwezigheid en begroeting volledig negerend. Je zou kunnen stellen dat ze gewoon geen Nederlands kon, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand die de sociale regels in acht nemend van mensen, en uberhaupt alle wezens met een hersenstam, niet doorhad dat dit een begroeting van mijnentwege was. Het minste wat ze kon doen was een korte knik geven. Ik verstijfde. Aanvankelijk maakte ik mezelf wijs dat ze me om 1 of andere reden niet opgemerkt had, ondanks dat ze me recht in de ogen keek. Daarop herhaalde ik mijn begroeting, maar ditmaal meer in een vragende, twijfelende toon: “Hallo.....?”, probeerde ik onzeker. Mijn onzekerheid sloeg over in pure angst toen ze ditmaal zelfs niet meer opkeek en gewoon verder ging met kuisen. Ik panikeerde en wist helemaal niet hoe me nu te gedragen. Met een duidelijk gemaakte, schokkerige zelfzekerheid begon ik me na 5 seconden verstijfdheid te bewegen richting badkamer. Daar aangekomen probeerde ik even relaxt te zeiken. De weg terug naar mijn kamer was plots een hele uitdaging. Ik kon niet opnieuw een confrontatie aan met deze robot die gespeend was van elke vorm van sociaal gedraag en alles zomaar aan haar laars kon lappen. Dit dan nog zonder de minste vorm van ongemakkelijkheid. Ergens benijdde ik haar voor deze bovennatuurlijke gave. Angstig wachtte ik af in de badkamer, intensief luisterend naar de geluiden van haar zeemvel dat in en uit haar emmer schoonmaakmiddel en water klotste en hopend dat ze niet op weg was naar de badkamer boven. Gelukkig was ze dat niet.
Vanaf die dag wilde ik een confrontatie met haar ten allen koste vermijden. Ik maakte mezelf wijs dat ik dit wilde omdat ik haar een lesje wou geven, dat ik haar minachting voor mij wou betaald zetten door ook te doen alsof ze er niet was wanneer ik haar tegenkwam. Ergens wist ik echter goed genoeg dat ik haar nooit op zo’n efficiente manier zou kunnen negeren als zij bij mij deed. Ik herkende mijn meerdere in haar en Ik probeerde dan ook bewust elke confrontatie met haar te mijden.
Het zou echter niet de laatste keer zijn dat ik met opnieuw oog in oog zou te staan komen met haar.
Ik had een nieuwe nemesis."
"Mama en Papa
Mijn ouders zijn wat je noemt mensen die ‘het’ gemaakt hebben in onze samenleving. Papa is gedoctoreerd aan de VUB als burgerlijk ingenieur en mama heeft een diploma psychologie en is actief als Human Resources Manager (een mooiere titel voor manager) voor een groot bedrijf. Zoals elke koppel ouders verwachtte zij dat ik en mijn broer (die 2 jaar na mij geboren werd) een leven zouden leiden dat in grote mate vergelijkbaar is met dat van hun en dat onze maatstaven niet veel zouden verschillen. Ze zagen in mij al een kleine burgerlijk ingenieur vanaf mijn geboorte, wat als ouder waarschijnlijk perfect normaal is en wat ik ze ook niet kwalijk neem. In deze maatschappij lijkt het aangewezen om een hoog diploma te halen om op adequate manier geld te verdienen, en deze vergissing is snel gemaakt voor elke mens.
Hun verwachtingen werden aanvankelijk ingeluid. In de basisschool was ik altijd de primus van de klas en stelde ik me geen vragen bij mijn streven naar ‘het goed doen op school’. Alles veranderde echter toen ik 12 jaar werd en die vervloekte hormonen de kop kwamen opsteken. Papa wilde dat ik en mijn broer zouden afstuderen in Latijn-wiskunde, zoals hij zelf had gedaan. Vanaf het tweede middelbaar echter, bleek dat ik op gebied van school en studeren, een fallikante nul was geworden. 1 van de ergste gevoelens die ik tot nu toe in mijn leven heb ervaren is het schuldgevoel waarmee ik kampte door de teleurstelling van mijn vader, toen hij besefte dat wij in geen enkel opzicht zoals hem zouden uitdraaien. Goed als hij is probeerde hij zijn teleurstelling (nog steeds trouwens) ten allen koste te verbergen, terwijl mettertijd duidelijker en duidelijker werd dat mijn levensloop volledig anders zou zijn als die van hem of mama. Er zouden zelfs factoren bij betrokken worden die hij zelf nooit in de verste verte had ervaren en ook niet voor mogelijk had gehouden bij zijn 2 zonen: drugs, arrestaties, psychische problemen en teveel drank waren dingen die hij niet had gezien in zijn kinderen, misschien wel terecht. Mama kon hier iets beter mee omgaan, doch ook voor haar werd het soms teveel. Ik heb me altijd voorgehouden dat ik erg hard was in mijn omgang met mijn ouders, dat ik niet veel met hen bezig was. Dit veranderde allemaal toen ik op de dag dat ik het huis uitging nog eens thuis kwam eten en mama zich vreemd begon te gedragen.
Mama kwam wenend de trap opgelopen. Ik dacht dat dit waarschijnlijk wel te maken had met het feit dat ik het huis uiting. “Wat is er mama?”, vroeg ik achteloos, bijna automatisch. “Ik weet het niet...” antwoordde mama snikkend. “Ik heb mij nog nooit zo gevoeld, laat mij gewoon even gerust.” Door die ‘Laat mij even gerust’ voelde ik me in mijn eer gekrenkt, als ik aandacht geef aan iemand verwacht ik niet om tot ‘gerust laten’ aangemaand te worden, daar komt bij dat ik in die periode al genoeg ervaring had met ‘wijven’ die om aandacht smeekten en om 1 of andere reden rekende ik mijn moeder even tot die categorie, wat ik mezelf nooit meer zou vergeven. Zelfs nadat mijn moeder op onmenselijke manier gilde was ik er nog altijd van overtuigd dat dit een simpele ‘cry for attention’ was. Beneden in de living aankomend vroeg Papa nogal in de war wat er aan de hand was. Ik zag mezelf op dat moment een beetje als de nuchtere stem van rede des gezins en maande mijn broer en vader aan tot kalmte: “Laat ze maar gewoon efkes doen.” zei ik, mezelf wentelend in het zelfvertrouwen dat ik wel beter wist dan panikeren en een beetje neerkijkend op mijn broer en vader voor hun verwarring. Na een minuut of 3 besloot mijn broer om toch even te gaan checken. Ik ergerde me aan het feit dat hij niet beter wist en draaide met mijn ogen terwijl ik een geirriteerde zucht slaakte. 10 sec later was hij terug beneden, mama kon nauwelijks nog praten. Aanvankelijk dacht ik dat hij zich vergiste, omdat ik mij niet kon inbeelden dat ik op zo’n manier fout zat. Al snel bleek dat dit wel het geval was. “Ons moeder heeft toch geen hersenbloeding?”, dacht ik om 1 of andere reden vrij ogenblikkelijk en dit bleek uiteindelijk het geval te zijn.
Toen ik naar boven ging was mama al ver heen. Ik kon het niet geloven. Ik had mijn broer en vader aangemaand om niets te doen terwijl mijn moeder boven in kritieke toestand verkeerde. Ik maakte mezelf wijs dat ik me in zo’n situaties best onder controle kon houden en mat mezelf een ijzige kalmte aan. De amulance werd gebeld. Hij liet echter langer op zich wachten dan verwacht. De laatste verstaanbare woorden die mama uitsprak zal ik nooit vergeten en snijden nog altijd als merg door been bij mij: “Ik denk dat ik het niet ga halen.” Het waren niet zozeer de woorden zelf, maar vooral de manier waarop ze ze uitsprak, op een waardige, realistische toon. Er klonk weinig wanhoop door in haar stem. Ze klonk nuchter, berekend en erg overtuigend. Het bloed dat op die moment vrijkwam in haar hersenen zorgde er dan wel voor dat ze de linkerhelft van haar lichaam niet meer kon bewegen, maar in haar stem klonk op die moment geen greintje verwarring door. Mama was een sterke vrouw en toen ze het onwerkelijke gevoel ervaarde dat een hersenbloeding met zich meebrengt, besloot ze na even panikeren dat ze ons moest meedelen hoe zij over haar situatie dacht. Toen ze die woorden uitsprak, brak er iets in mij, maar dat had ik toen zelf nog niet door. Vrij stoicaans nam ik alles in me op.
Na 15 min kwam de ambulance uiteindelijk aan. Mijn broer was ondertussen de wanhoop nabij en schreeuwde tegen de ambulanciers dat ze zich moesten haasten toen ze zich op hun dooie gemak uit de ambulance begaven. Uiteindelijk werd de mug erbij gehaald en werd mama, door een vreemd toeval, afgevoerd door een goeie vriend van mij die bij de spoed werkte.
Vanaf dat mama weg was wilde ik maar 2 dingen: overdreven zuipen en roken. Dit ging echter niet omdat we samen met mijn grootvader in het ouderlijk huis zaten en ik geen enkele manier had om daar weg te geraken. Naarmate dat de tijd verstreek werd ik zenuwachtiger en zenuwachtiger van mijn bompa, tot ik hem onder het mom van ‘alleen zijn’ kon overtuigen voor mij naar Antwerpen te brengen. Daar aangekomen liet ik direct wat vrienden naar mijn kot komen en mat ik mezelf een gespeelde bezorgdheid aan, inderwijl van mezelf walgend dat ik zoiets moest spelen.
Ondertussen werd mama op leven en dood geopereerd. De ‘leven en dood’ factor vertelde papa ons echter pas toen het goed was gekomen met haar, ondanks dat hij dit deed voor ons te sparen voelde ik me achteraf vernederd door de gedachte dat hij niet alles vertelde.
Papa hield zich sterk tijdens de het hele proces. Gedurende heel de situatie bleef hij kalm en probeerde hij op de meest logische manier te reageren en zich niet te laten leiden door emoties. Hij was hier echter niet zo goed in als mij, daar ik op een bepaald moment zelfs moest doen alsof ik minder kalm was gewoon omdat ik niet wilde dat de rest van mijn familie zou denken dat ik een psychopaat was. Toch gaf ons vader een adequate voorstelling van stalen zenuwen weer als je bedenkt dat de vrouw van je leven geen teken van leven meer geeft en de ambulance in de verste verte nog niet te bespeuren is. Enkel de glazigheid in zijn ogen verraadde op die moment dat hij inwendig verscheurd werd.
Toen mama geopereerd werd kwam ze op intensieve te liggen. Vanaf dan brak er voor mij een proces aan van mezelf constant schuldig voelen omdat het leek alsof ik me niet genoeg aantrok van de situatie waarin mama verkeerde. Ik had om te beginnen nog geen traan gelaten sinds het ongeval en ik zag om 1 of andere reden het nu er niet van in om elke dag een bezoek te brengen aan de intensieve, tot ergernis en minachting van mijn vader en broer. Eerlijkheidshalve dacht ik aanvankelijk zelfs aan 1x per week, maar ik merkte al snel aan mijn omgeving dat dit echt volledig sociaal onaanvaardbaar was. Ik begon mezelf een klootzak te vinden, een monster zonder emoties dat niet gaf om zijn ouders. Waarom kon ik niet huilen en waarom voelde ik geen aandrang om mama zoveel te bezoeken als mogelijk? Waarom, weet ik nog altijd niet, ik weet wel dat ik op een bepaald moment ontdekte dat ik er wel om kon huilen. Op die moment sijpelde de ernst van de situatie pas bij mij door, zo lijkt het.
Ik was mama gaan bezoeken in de revalidatiekliniek waar ze na een tweetal maanden terecht gekomen was. Op een bepaald moment begon zij vragen te stellen over hoe eigenlijk alles was gebeurd de avond van de hersenbloeding. Zelf herrinerde ze zich er niet veel meer van. Aanvankelijk begon ik aan het verhaal, zoals ik aan eender welk verhaal zou beginnen, totdat ik tegen haar wilde vertellen wat haar laatste woorden waren voor ze weggleed in de bewusteloosheid die een overdosis plasma en bloedplaatjes op de verkeerde plaats in de hersenen onvermijdelijk met zich meebrengen. Ik kreeg de woorden niet uigesproken, mijn stem trilde en ik voelde tranen branden. Dit was genant en tegelijk verlossend. T ijdens een poging om haar laatste woorden : “Ik denk dat ik het niet ga halen.,” uit te spreken slaagde ik er eindelijk in om in tranen uit te barsten. Maanden van opgekropt verdriet om de situatie van mijn moeder kwamen los. Mama begon ook te huilen. Na 2 minuten echter begonnen we opeens gelijktijdig om niets hysterisch te lachen als puberale hyena’s met een kop vol methamfetamines. Toen is er een verbintenis ontstaan tussen mij en mama die er voorheen niet was.
Eindelijk herkende ik iets van de waanzin die zich schuilhield in mij terug in mijn moeder.
Ik bleek geen monster."